|
|
Veen, Jacob deDe Enkhuizer visser Jacob de Veen werd op 27 oktober 1860 in de
gemeente Weststellingwerf in Friesland geboren. Jacob de Veen
trouwde op 31 juli 1884 in Enkhuizen met Maria Frankfort.
In Maassluis werd na het vergaan van een vissersschuit in 1849 een
fonds opgericht om de nagelaten weduwen en wezen financiële hulp te
bieden. Ook in andere Noordzeeplaatsen ontstonden dergelijke
fondsen. In de Zuiderzeeplaatsen bleef men niet achter, eveneens
met het doel om hulp te verlenen aan hen die brodeloos
achterbleven. Zo ook in Enkhuizen. In 1902 werd hier de
vissersvereniging 'Ons Belang' opgericht. Echter niet alleen voor
hulpverlening, maar ook als belangenorganisatie en dat was iets
nieuws. De Enkhuizer vereniging zag als eerste de noodzaak van
belangenbehartiging van de vissers in. Jacob de Veen was voorzitter van de visserijvereniging 'Ons Belang' en had als bijnaam 'de Henkuzer Donderstien', deze bijnaam had hij te danken aan zijn felle strijd tegen het gebruik van de 'wonderkuil', een agressieve vorm van visvangst, die bedreigend zou kunnen zijn voor de visstand. Als voorzitter reisde hij geregeld naar het ministerie in Den Haag om de belangen van de Zuiderzeevissers te verdedigen. Een uitvloeisel van de wet was wel de instelling van een Zuiderzeevisserijraad. Deze was een schakel tussen regering en vissers. Men had de Zuiderzee verdeeld in dertien visserijdistricten. Uit elk district kwam een vertegenwoordiger. Aan het hoofd stond een Inspecteur voor de visserij, een regeringsambtenaar. Deze werd bijgestaan door een secretaris. En het is Jacob de Veen, de vader van de kunstschilder, die hiertoe gekozen werd. Hij was al voorzitter van de vissersvereniging 'Ons Belang', maar ook nog voorzitter van de zojuist genoemde overkoepelende vereniging. Deze functies heeft hij bekleed tot aan zijn dood in 1931. Als secretaris had hij recht op een vergoeding, maar deze
weigerde hij. Hij was bang dat hij het vertrouwen van de vissers
zou verliezen, die hem als een regeringsambtenaar zouden gaan zien.
Hij reisde alle vissersplaatsen langs de Zuiderzee af om lezingen
te houden over een goede organisatie, hield pleidooien voor beter
visserij onderwijs en voor het oprichten van speciale banken voor
de vissers, waar zij geld konden lenen. De Enkhuizer
vissersvereniging heeft een belangrijke rol gespeeld in die
Zuiderzeevisserijraad, wat ongetwijfeld te danken is geweest aan De
Veen. In het boek “De Oude Socialistische Partij van Harm Kolthek: ontstaan, opkomst en ondergang van een ‘libertair-socialistische’ partij” van Ron Blom wordt Jacob Visser ook genoemd: “De visser Jakob de Veen kwam met zijn Vrije Socialisten lijst
met 73 stemmen in de raad van Enkhuizen. De CP deed hier niet mee
en de sociaal-democraten behaalden drie zetels. De libertaire
socialist Jakob de Veen maakte al vanaf het begin van e vorige eeuw
deel uit van de raad. Deze bekende plaatselijke persoonlijkheid was
afkomstig uit het Friese Weststellingwerf, de bakermat van vele
radicaal-socialistische activisten. Als polderjongen kwam hij naar
Enkhuizen om te werken aan de Spoorhaven en de vergroting van de
Rijkshaven, Maar kennelijk trok de visserij hem toch meer. Hij trad
in het huwelijk met de eveneens in Weststellingwerf geboren Maria
Frankfort. In het Noord-Hollandse Westfriesland speelde deze
vissersvoorman een prominente rol in de IAMV. Zo vond in het
voorjaar van 1919 in Enkhuizen een solidariteitsbazaar plaats ter
ondersteuning van de gevangen dienstweigeraars. Op het terrein
stond een theetent en konden de honderden aanwezigen luisteren naar
de openingstoespraak van De Veen. (…) De Veen speelde een
voortrekkersrol in de vissersvereniging Ons Belang, met als doel
het ondersteunen van weduwen van omgekomen vissers. In 1913 richtte
de vereniging uit onvrede met het gemeentelijke afslagbeleid een
eigen afslagvereniging ‘De Eendracht’ op. De verenigingsvoorzitter
had als bijnaam ‘De Henkuzer Donderstien.’ Jakob de Veen vervulde
meer functies in de visserijwereld, maar hij weigerde principieel
gebruik te maken van de mogelijkheid om daar een vergoeding voor te
incasseren. Hij was bang dat hij daarmee het vertrouwen zou
verliezen van de vissers, die hem als een regeringsambtenaar zouden
gaan zien.” |
|