Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Nieuwsgierig Aagje

De oorsprong van deze vrij algemeen bekende uitdrukking gaat terug tot een verhaal dat in de 17e eeuw populair was: ‘’Kluchtigh Avontuurtje van ’t Nieuwsgierig Aeghje van Enckhuysen’’. De kluchtspelschrijver Abraham Bormeester gebruikte het gegeven in 1662 (of 1664) voor zijn stuk " ’t Nieuwsgierig Aegje", dat weer door Anthonie van Bogaert (1679) werd omgewerkt.
De historie komt hier op neer: Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) woonde in Enkhuizen een smid, die getrouwd was met een knappe jonge vrouw, Aagje geheten.
Schipper Freekbuur, een kennis van de echtelieden, kwam regelmatig in de smederij en vertelde dan van zijn reizen naar Brabant en Antwerpen, waarnaar Aagje, stiekem de smederij binnengeslopen, ademloos kon luisteren.

U voelt het al: Aagje wist haar man, de goede lobbes, over te halen om haar een reisje met Freekbuur te laten maken en zo gebeurde het dat ze op een mooie zomerdag de haven van Enkhuizen uitzeilde, met in haar rokzak de honderd gulden, die ze mee had gekregen.

In Antwerpen aangekomen ging Freek de wal op om zijn zaken te regelen, terwijl Aagje zich opdofte en ongeduldig wachtte op de terugkeer van buurman. Dat duurde lang, zo lang dat ze tenslotte haar nieuwsgierigheid niet kon bedwingen en besloot op eigen houtje de stad eens te verkennen.
Toen ze het schip verliet schoten haar de verhalen van haar moeder te binnen over een neef, die handelde in Spanje en ook vaak in Antwerpen was. Hij was het illustere figuur van de familie, die al de bijnaam ‘’Neef Jan van Spanjen’’ had verworven. Stel dat ze hem eens tegenkwam!

Aagje raakte niet uitgekeken op de drukke bewegingen in de stad, dat voor haar een nieuwe wereld opende. Volgens de dichter gaat het zo verder:

Een Spaansen Brabander ligt van stof
Had haar niet bekeken of
Hij groette haar met deeze reden:
‘’Goen dag mijn Nichteken!’’ opheden
Een bijnaam die men daar al veel
De jonge meidjes voegt ten deel.


Door het woord ‘’nichteken’’ dacht Aagje dat ze met neef Jan te doen had en de vreemdeling liet het maar zo. Ze vertelde honderd uit: hoe haar man heette, waar ze vandaan kwam en dat ze honderd gulden op zak had. Dat laatste vond ‘’neef Jan’’ interessant en hij zag een dankbare prooi in haar. Hij bood haar aan Antwerpen te laten zien, waar Aagje maar al te graag op inging. Natuurlijk kwamen ze in een café terecht en ‘’neef Jan’’ trakteerde gul op geestrijke drankjes, die Aagje zich zo goed liet smaken dat ze weldra ‘’van Teewis noch van Meewis wist’’. Dat was juist waarop Jan gewacht had: Aagje’s honderd gulden wisselden van eigenaar, diverse vrienden werden opgetrommeld en het feest werd voortgezet voor rekening van het pronte meidje, dat in een hoek haar roes lag uit te slapen.

Toen het geld op was moest men een manier verzinnen om van Aagje af te komen. Een inventieve geest kwam op de gedachte de jonge vrouw in een bakermand te leggen die, toen de avond gevallen was, op de stoep van een deftig huis werd neergezet. In de vroege ochtend, toen de eerste werklieden aan het werk gingen, vond men de mand met de vreemde inhoud en al gauw was er een volksomloop omheen verzameld. Wat zat er in de mand? Een vondeling? Nee, het was nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen! Schipper Freekbuur die haar urenlang had lopen zoeken, vond haar in deze weinig spectaculaire toestand. Arme Aagje, wat een tranen heeft ze geschreid na dit avontuur.
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube