Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Mossel, Jacob

Bron / Auteur: Siem Duys

Mossel, Jacob
Jacob Mossel werd in Enkhuizen geboren op 28 november 1704 als zoon van Pieter Jacobsz Mossel en Geertruyda Leydekker. Zijn vader was makelaar en stadsbode in deze stad en kwam niet uit een vooraanstaande familie, maar zijn moeder stamde af van een regentenfamilie. Zijn jonge jaren bracht Jacob door in Enkhuizen en hij leerde daar in ieder geval lezen en schrijven. Hij zal veel in het havenkwartier hebben doorgebracht en de sterke verhalen hebben aangehoord over de verre reizen die voor rekening van de kamer Enkhuizen van de Oost-Indische Compagnie werden gemaakt naar Azië en de rijkdom die daar heerste.

Vader Mossel hield zijn kinderen voor dat zij onder aan de maatschappelijke ladder moesten beginnen en moesten leren werken onder zware omstandigheden om hogerop te komen. Aan de hand van dit advies en versterkt door de verhalen uit zijn omgeving besloot hij om zelf naar Azië te gaan. Op 15-jarige leeftijd meldde hij zich als jongmatroos aan met een maandsalaris van 8 gulden. Hij ontving daarbij een voorschot van twee maanden en leende 4,50 gulden voor de voorgeschreven scheepskist met handbagage. Op 8 maart 1720 vertrok hij met het VOC schip "De Haringtuyn" uitgezonden door de kamer van Enkhuizen van de rede van Texel.

Na een voorspoedige reis bereikte hij Kaap de Goede Hoop. In een klein journaal aan zijn moeder schrijft hij: “de handel is hier slecht, want de Spaanse boter en zeep zijn duur, de lange pijpen kosten 54 stuivers de gros, wat niet slecht is, maar de tabak is goedkoop, 11 à 12 stuivers. Schapevlees wat hier gewoonlijk 2 stuivers kost is thans 10 à 12 stuivers. Ik koop dit hier niet, want in Batavia zullen de prijzen wel lager zijn”.

Na de Kaap ging Jacob verder met "De Haringtuyn" naar Batavia en kwam daar op 24 september 1720 aan. Tijdens de reis had Mossel kennisgemaakt met Mr. Dirk van Cloon, die eerder opperhoofd in Sadras was geweest, maar door de toenmalige gouverneur valselijk was beschuldigd van bedrog. Van Cloon werd verbannen en kwam via Batavia terug in Amsterdam.

Daar beklaagde hij zich over het onrecht wat hem was aangedaan, kreeg eerherstel en direct hierna vertrok hij in dezelfde vloot als Jacob naar Azië. Jacob Mossel heeft veel aan deze man te danken gehad.

Bij aankomst in Batavia kon hij het wapen van de familie Mossel tonen, bestaande uit een zilverkleurig schild met drie zwarte mosselen en om deze reden werd hij beschouwd als een adelborst en kreeg hij een voorkeurspositie. Mossel wilde echter liever aan boord van de op de rede liggende "De Haringtuyn" blijven om weer terug te keren, maar Dirk van Cloon besliste dat hij bij hem in dienst moest komen als "matroos aan de pen" in Negapatnam aan de Coromandelkust. Jacob kwam nu in grote gewetensnood, want een bestuurder van de Compagnie mocht je niet tegenspreken. Een verdere loopbaan bij de onderneming kon je dan wel vergeten.

Uiteindelijk besloot hij om in Azië te blijven en bij dit besluit speelde ook zijn gezondheid een rol, want tijdens de reis van Enkhuizen naar Batavia had hij een wond aan zijn been gekregen. De wond wilde op zee maar niet dicht gaan, maar eenmaal aan land aangekomen was deze vrijwel meteen genezen.
Op 7 mei 1721 vertrokken Van Cloon en Mossel vanuit Batavia naar Negapatnam, waar zij in augustus van dat jaar aankwamen. Tussen hen ontstond een grote vriendschap en Jacob noemde Van Cloon dan ook "synen Indise weldoenden Vader". Negapatnam was de bestuurlijke hoofdplaats van de Coromandelkust en nam een belangrijke plaats in de inter-aziatische handel in, die in dit gebied vooral bestond uit textiel. Mossel maakte na aankomst op de "Cust" al meteen kennis met illegale handel in artikelen waarover de VOC het monopolie bezat. Deze praktijken werden ook wel particuliere-, mors-, sluik-, smokkel- of privéhandel genoemd. Men ging hierbij "so bont en so grof in sijn werk dat het onuitsprekelijk is". Maar terwijl hoog en laag smokkelde waren de forse winsten slechts voor de elite voorbehouden.

Zij konden immers over geld beschikken, naast bergruimten op de schepen en in de VOC magazijnen. Er werden steeds boekhouders, pakhuismeesters, fiscaals en opperhoofden gepakt op beschuldiging van particuliere handel. Meestal betrof het gesjoemel met de gewichten, de inkoop van slechte waar of "slordig huyshouden". Jacob maakte snel promotie en in 1725 werd hij vanwege zijn leergierigheid en ijver bevorderd tot burgerassistent en in 1726 werd hij boekhouder met een maandloon van 30 gulden en een toeslag van 400 gulden per jaar. Het jaar daarop werd deze verhoogd naar 760 gulden.

In 1728 trad Dirk van Cloon af als gouverneur en wilde terugkeren naar Batavia. Jacob, die hem als een tweede vader beschouwde, wilde graag met hem meegaan.
Maar "dese zyn Edelheid overrede aan het eind van dat jaar zynen gunsteling om dese schoone Maegt Adriana Appels die nu den Ouderdom van 14. Jaaren bereykte ten Huwelyk te verzoecken". Dit viel "zyn Edele (Jacob Mossel) wel wat te schielyck en overwagts, als tegen zyn reeds gemelde voornemen strydende voorquam". Jacob kwam na rijp beraad en veel bidden tot de Heere Gods tot de keuze "dese gewigtige Vryagie aan te leggen", immers Adriana was de stiefdochter van gouverneur Adriaan van Pla.

Hij trad met haar op 30 maart 1730 in het huwelijk. Hij was inmiddels een welgestelde factuurhouder en verdiende 360 gulden per maand met jaarlijkse toeslag van 811,15 gulden en in 1736 werd hij benoemd tot hoofdadministrateur en bevorderd tot opperkoopman.
Twee jaar later werd hij benoemd tot gouverneur en directeur van de kust van Coromandel en 1740 kreeg hij bovendien de rang en titel van Extra-Ordinaris Raad van Indië.

Jacob en zijn vrouw kregen in Negapatnam zeven kinderen. Ze bleven niet allemaal in leven. Hun dochtertje Catharina Johanna stierf op drie jarige leeftijd aan de "kinderpokjes" en Pieter en Elias verdronken op vier- en vijf jarige leeftijd tijdens hun reis aan Nederland om daar hun verdere opvoeding en opleiding te krijgen. De in leven gebleven kinderen waren Philippina Theodora geboren op 17 april 1731, Jacob op 24 juli 1739, Catharina Johanna in 1741 en Geertruida Margaretha in 1742.

Vrouw Adriana stond bekend als een vrolijke dame, die later begon te sukkelen met haar gezondheid.
Dit proces begon na het overlijden van haar dochtertje, het verdrinken van haar twee zoontjes en kort daarna de dood van haar moeder en stiefvader. Ze kreeg last van zware depressies en zonderde zich van iedereen af. Haar laatste bevalling kwam ze nog redelijk door, maar kort daarna stierf zij op 18 juni 1743. Haar begrafenis vond met veel pracht en praal plaats; zij werd begraven op het kerkhof van Negapatnam en in de kerk aldaar prijkt nog steeds haar rouwbord.
Jacob Mossel stond bekend als een vroom man, die echter ook goed aan zichzelf dacht. Ook hij maakte zich schuldig aan sluikhandel en heeft zich daardoor sterk verrijkt.
Uit een opgemaakt testament blijkt dat hij en zijn vrouw in Negapatnam 36.200,- gulden (huidige waarde een kleine 2 miljoen) bezaten en zo’n bedrag kon hij niet bij elkaar gespaard hebben met zijn salaris en toelagen.

Al voor het overlijden van zijn vrouw werd Mossel naar Batavia geroepen om daar als gewoon lid in de Raad van Indië zitting te nemen. Dit zal hem niet ongelegen zijn gekomen, zijn vrouw lag op sterven en om vier kinderen zonder een moeder op te voeden in Negapatnam zou niet gemakkelijk zijn geweest.

Op 11 april 1744 arriveerde Mossel met zijn kinderen respectievelijk 7, 4, 3 en 2 jaar oud in Batavia.
Aldaar knoopte hij een relatie aan met zijn slavin Jasmina van Sumbawa en zij kreeg van hem twee dochters, Arnolda en Johanna.

Zijn zoon Jacob ging naar Nederland en werd in 1749 genaturaliseerd. In 1756 studeerde hij in Leiden en later vestigde hij zich in Rotterdam als koopman en bestuurder van die stad.
Philippina trouwde de eerste keer met de gouverneur en directeur van Java’s Oostkust mr. Joan Andries, baron Von Hohendorff en daarna met Nicolaas Hartingh. Beiden zaten in de Raad van Indië.
Catharina trouwde met jonkheer Gerard Maximiliaan baron Taets van Amerongen, heer tot Dys, vrijheer van Deyl, Renswoude en Emmikshuysen. In 1766 verlieten zij Indië om in het kasteel van Renswoude te gaan wonen.
Geertruida trouwde met mr. Pieter Cornelisz. Hasselaar. Hij werd door zijn schoonvader als resident van Cheribon op de "voordeeligste" post in Indië geplaatst. Hun huwelijk werd zo groots gevierd dat er later in Batavia nooit "zulk een luisterrijke bruiloft is gevierd als bij deze mesalliance" (ver beneden een bepaalde stand).
De overgrootvader van Hasselaar was maar een eenvoudig apothekertje in Enkhuizen geweest en Geertruida stamde af van een Enkhuizer makelaar/stadsbode, die weinig aanzien had.

Hoewel Vader Jacob zeer gelukkig was met dit huwelijk, heeft hij zich mogelijk ook geschaamd voor al die pracht en praal, want hij was niet aanwezig bij het huwelijk. Het behoorde namelijk tot zijn taak om juist de pronkzucht tegen te gaan.
Jacob bleef een sterke relatie houden met zijn familie in Enkhuizen. Toen zijn vader in 1722 overleed, stuurde hij zijn moeder elk jaar 300 gulden.
Zijn moeder en zusje Grietje stuurden hem regelmatig cadeautjes, lekkernijen en gouddraad voor zijn kleding.

In 1754 richtte hij in Enkhuizen een fonds op dat bestond uit de opbrengsten van zijn landgoed Concordia. Verarmde familieleden konden hieruit ondersteuning krijgen. Hij stelde zijn zwager Jan Coning aan als beheerder van het fonds, omdat hij de familie het beste kende. Uit correspondentie met zijn zaakwaarnemers in Enkhuizen Jan Pan, Everhard Pan, Claas Coning en Jan Minne blijkt dat er over en weer vaak schriftelijk contact was. Jacob uitte zich zeer vriendelijk en onderdanig naar zijn neef Everhard Pan en Jan Minne. Dit laatste omdat zij bewindhebbers waren bij de VOC-kamer Enkhuizen en Pan was ook de afgevaardigde van deze kamer bij de Heeren XVII.

Mossel was begaan met de achteruitgang van zijn "vaderstad" en probeerde dit tegen te gaan. Hij deed dit onder andere door deel te nemen in het uitreden van haringbuizen, deel te nemen in scheepsparten en het nemen van aandelen in rederijen. Ook bezat hij huizen in Enkhuizen.
Als bestuurder met een vlotte pen maakte hij veel regelgeving. In 1747, toen hij benoemd werd tot directeur generaal van de Raad van Indië, gaf hij leiding aan de bouw van een nieuw ziekenhuis in Batavia. Ook gaf hij de aanzet om te komen tot een systeem van landmeting. Dit was nodig voor het innen van belastingen, maar ook omdat de Compagnie steeds meer grond in eigen beheer wilde hebben voor de teelt van bepaalde cultures. Al het land waarvan de lokale bevolking niet kon bewijzen dat het van hun was werd eigendom van de Compagnie. Ook richtte hij een wisselbank op samen met de al bestaande bank van lening. Deze instelling was zijn tijd ver vooruit. Op 11 november overleed gouverneur generaal Van Imhoff. Jacob Mossel volgde hem direct op. Zijn officiële installatie werd in 1752 op pompeuze wijze gevierd.
Ten tijde van zijn benoeming maakte de Compagnie slechte tijden mee. De concurrentie door andere compagnieën en de sluikhandel gingen onverminderd voort.
Mossel zette zich in om de financiële achteruitgang in Azië te keren en schreef hierover aan de Heeren XVII" ik zal het scheepje van de Compagnie vlot houden". Hij geloofde dus in zijn eigen daadkracht.
Met harde hand pakte hij de huishouding van de Compagnie aan en door zijn instructies kon er sneller en goedkoper gewerkt worden.
Om de mensen de lust tot smokkelen te benemen verhoogde hij de gages van de ambtenaren en de in Europa geboren dienaren, mits getrouwd met een inlandse vrouw, kregen jaarlijks een kleine "rustgave" (een soort pensioen), maar het hielp allemaal niet, de corruptie was te diep ingeworteld.
Ondanks alle maatregelen die hij nam bleef hij zichzelf verrijken. Mossel lustte ook wel een glaasje. In 1753 gaf hij een feestje op Ternate en hierbij gingen er 280 flessen wijn, 310 flessen licht en 160 flessen zwaar bier doorheen.
In december 1754 verraste Mossel zijn Compagniesdienaren met een uitvoerig "Reglement ter beteugeling van pracht en praal". De nieuwe regeling bevatte maar liefst 124 artikelen met voorschriften voor de grootte van een huis, het slavenbezit, het aantal paarden en rijtuigen, en zelfs bepalingen over wandelstokken, zonneschermen, knoopsgaten en schoengespen. Uiteraard was één persoon uitgezonderd van deze voorschriften en dat was hijzelf. Wel ging hij als een vroom man door het leven en om zijn geweten te sussen liet hij, mogelijk op eigen kosten, de bijbel in het Maleis vertalen.

Hij maakte in 1755 een regeling om het lot van Europese jongens die in Batavia rondzwierven te verbeteren. Een dertigtal jongens werden "putters of boodschappengangers" gemaakt en dit betekende een halve dag naar school en een halve dag boodschappen doen voor derden tegen een vergoeding.
Minder gelukkig was Mossel met een conflict dat al bestond voor zijn benoeming. De Engelsen werden steeds machtiger in Bengalen en aangezien de VOC de grootste afnemer was van opium en salpeter uit dit gebied gaf dit veel strubbelingen. In 1759 besloot Mossel gewapend op te treden tegen de Engelsen en de zaken in Bengalen “recht” te zetten.
Met veel te weinig schepen en mensen werd de aanval ingezet, maar de vloot werd al snel verslagen. De Engelsen waren nu heer en meester in Bengalen en de Compagnie werd van hen afhankelijk.
Mossel maakte verder regelingen voor het weeshuis, het bezit van slaven, rechten en plichten van moslims en Chinezen. Ook liet hij patrijzen en hazen naar Java brengen om te bekijken of deze daar in de vrije natuur konden leven en zich in de tropen thuisvoelden.
Jacob Mossel woonde in Batavia aanvankelijk in het kasteel en toen hij tot gouverneur-generaal benoemd was kocht hij het landgoed met woning genaamd “Weltevreden” van zijn voorganger Van Imhoff. Verder kocht hij van Roelof Blok, die ook uit Enkhuizen afkomstig was het huis Goenoeg Sahari”, dat bekend stond als Chinese tempel.
Ook bezat hij het landgoed Concordia, waarvan de baten naar een fonds voor verarmde familieleden in de Republiek gingen. Samen met een compagnon was hij eigenaar van negen suikermolens en een arakbranderij. Ook was hij de grootste aandeelhouder van de Amfioen Sociëteit (Opiumclub).

Mossel overleed op 15 mei 1761 “na een langduurige en pynelyke ziekte, en by continuatie toenemend verval van leevensgeesten en kragten, mitsgaders de lastige beheering van zaken” (d.w.z. het laten lopen van de ontlasting).
Hij liet een zeer groot vermogen na van 3,2 miljoen gulden (huidige waarde 160 miljoen gulden = € 72.6).
Uit zijn testament en de uitvoering daarvan zijn een aantal interessante zaken naar voren gekomen. Overeenkomstig zijn wil is hij begraven op het kerkhof van Batavia in een graf dat ook voor zijn kinderen beschikbaar moest blijven.
Voor alle ornament- en slippedragers werden 83 gouden penningen geslagen tot gedachtenis van de overledene. Dit was gebruik geworden bij het overlijden van een gouverneur-generaal. De penningen hadden een zwaarte van “Drie Realen aan Goud van 20. Caraaten essay”.
Al eerder werden door Jacob Mossel herdenkingspenningen uitgegeven, namelijk één gouden exemplaar en mogelijk drie zilveren met dezelfde afbeelding bij zijn benoeming in 1751. Eén van de zilveren penningen, afkomstig uit de Stadhuiscollectie van Enkhuizen, wordt thans tentoongesteld.
Verder werd er nog een penning geslagen ter gelegenheid van zijn 50ste verjaardag.
Het verstrekken van dergelijke penningen was een daad waartoe hoge bestuurders vanwege hun positie en rang min of meer verplicht waren.
Een deel van zijn sieraden werd verdeeld over zijn kinderen en zijn zwager Jan Coning in Enkhuizen kreeg de briljanten ring van 4½ karaat die hij altijd droeg.

Zijn buitenplaats “Weltevreden” moest inclusief de aanwezige meubelstukken en de 200 koeien worden verkocht. De koper diende tevens de tien slaven over te nemen. Het geheel bracht 40.000 rijksdaalders op. Van deze opbrengst moesten aandelen van de Amfioen Sociëteit worden aangeschaft of dit bedrag moest worden belegd bij de bank. Vermoedelijk is dit laatste gebeurd, want het aantal aandelen werd niet verhoogd.

In Nederland kregen de Enkhuizer gereformeerde kerken 6000, Jan Pan, zijn zaakwaarnemer 5000, Jan Mossel van Straelen 4000 en in Haarlem zijn zwager Herman Appels 10.000 gulden. Het achtspan paarden, met de rijtuigen, moest worden aangeboden aan zijn opvolger. Zijn aandelen van de Amfioen Sociëteit moesten in de familie blijven (voor zijn kindskinderen) en bij de bank worden beheerd. Volgens zijn wilsbeschikking werd 384.000 gulden op rente gezet en de baten gingen naar de Weeskamer in Enkhuizen of Leiden. Het geld mocht besteed worden aan wezen van Protestantse afkomst.
Zijn slavin Coridor Flora Dina Sortúyn, met haar dochtertjes, werden na het overlijden van Mossel uit het slavendom ontheven. Voor hen werd een bedrag van 50 pagoden (Indisch geld) op rente gezet, waarvan zij tot hun dood een uitkering kregen. Mossel had kennelijk een goede relatie met zijn slaaf Ambelewana en diens vrouw Olinda en veehouder Gola met zijn “meijde” Sirony. Ook zij werden met al hun gedoopte kinderen ontslagen uit het slavendom. Gola kreeg daarbij tien koebeesten met het gebruik van een stuk weiland in de bovenlanden.
De uitvoerders van het testament mochten voor hun werkzaamheden een keuze maken uit een bedrag in geld of een gedachtenis uit de boedel van dezelfde waarde.
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube