Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Loosen, Jan Laurensz. van

Bron / Auteur: M.M. & M.W. de Wolf en J.W. Veluwenkamp

Oprichter en Bewindhebber van de Verenigde Oost-Indische Compagnie van het eerste uur. Jan Laurensz. van Loosen komt oorspronkelijk uit de zuidelijke Nederlanden, vermoedelijk uit de omgeving van Luik. Omwille van het geloof wijkt hij uit naar de noordelijke Nederlanden. Waarom hij zich juist in Enkhuizen heeft gevestigd is niet bekend. Hij was wel op de hoogte van het feit dat de stad zich in mei 1572 aan de zijde van prins Willem van Oranje had geschaard en zal zich hier veiliger hebben gevoeld. Bovendien was Enkhuizen een stad in opkomst en was gunstig gelegen aan de Zuiderzee.
Jan Laurensz. van Loosen werd in de hoogste kringen van de burgerij opgenomen en huwde in 1579 de burgemeestersdochter Sijbricht Hendriksdochter. Opgenomen worden in deze kringen, betekende dat hij niet onbemiddeld was.

Voor de oprichting van de VOC dreef hij handel op de Baltische staten aan de Oostzee. Hij exporteerde o.m. haring en importeerde van daaruit graan, hout en hennep.
In 1608 leerde hij Marcus de Vogelaer kennen, een man die zijn sporen verdient had met de handel op Archangel in Noord-Rusland. De Vogelaer richtte met zestien andere kooplieden een compagnie op voor de handel ‘om het noorden’. Bij deze kooplieden behoorde ook Van Loosen. De Staten-Generaal verleende aan deze compagnie geen octrooi, zij wenste geen kartelvorming. Niettemin importeerde Van Loosen, zij het via andere kanalen, goederen uit Noord-Rusland zoals hout en teer. Ook werd er zout gehaald uit Frankrijk en Portugal. Dit laatste werd gebruikt bij het inzouten van haring.
Al deze handelsactiviteiten hebben ongetwijfeld het familiekapitaal vermeerderd.

In maart 1602 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie op aandringen van de raadspensionaris Johan van Oldebarnevelt opgericht. Voordien waren er ook al verschillende compagnieën werkzaam. Door samenbundeling ontstond de VOC.

Ook te Enkhuizen werd een afdeling opgericht, de Kamer van Enkhuizen. Jan van Loosen is daarbij één van de deelhebbers door kapitaal te storten in de nieuwe compagnie. Om participant te worden had hij een bedrag van ƒ 3000,- moeten storten als waarborg, boven zijn particuliere inbreng. De Kamer van Enkhuizen bracht in totaal ƒ 540.000,- bijeen en was daarmee de derde in grootte van het kapitaal na de Kamers van Amsterdam en Zeeland.
De compagnie bloeide en keerde hoge dividenden uit.

Of hij in die beginperiode tussen 1602 en 1608  ook daadwerkelijk de vergaderingen van de Heeren XVII te Amsterdam heeft bijgewoond is niet bekend. Vanaf 1608 tot zijn dood in 1617 komt hij niet in de presentielijsten voor.
Zo was hij de eerste die het familiekapitaal deed toenemen en hebben volgende generaties in zijn geest gehandeld.

Een man die zo hoog stijgt op de maatschappelijke ladder, bekleedt uiteraard ook nog andere functies. Zo is hij tussen 1581 en 1603 verschillende malen schepen. Voorts is hij van 1580 tot 1612 voogd van het Oude Armen Weeshuis. Tevens is hij luitenant en later kapitein van het Vendel C geweest, een burgerwacht.

Op 11 april 1617 laat hij ‘sieck te bedde leggende’ de notaris komen om zijn testament op te maken. Dat gebeurt in aanwezigheid van zijn vrouw en getuige Dr. Bernardus Paludanus, de stadsgeneesheer. Op 13 mei 1617 overlijdt hij en wordt hij in de Westerkerk begraven in het graf nummer 358 (noordkap).
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube