Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Kaap de Goede Hoop

Bron / Auteur: Spiegel Historiael, 1993 / Jeannette Baas

Het fluitschip het Huijs de Vlotter als voorplaat voor een boek van Henricus Duijsendpond in 1717.
Het fluitschip het Huijs de Vlotter als voorplaat voor een boek van Henricus Duijsendpond in 1717.
Drie maal per jaar vertrok een VOC-vloot naar de Oost. Men zeilde voor de veiligheid in konvooi. De heenreis duurde acht à negen maanden, het verblijf op Kaap de Goed Hoop meegerekend.

De terugreis nam een maand minder in beslag, dankzij de zuidoost passaat en een gunstige stroming. De honderd en vijftig koppige bemanning van dit fluitschip, het ‘Huijs de Vlotter’, in 1713 op de scheepswerf van Amsterdam gebouwd, arriveerde na een heenreis van acht maanden op 3 februari 1723 te Batavia.

Na een verblijf van ruim negen maanden, waarin het schip diverse eilanden van de Indische archipel aandeed, ving de terugreis aan op 25 november 1723. Naast de winstgevende lading bevonden zich zesennegentig bemanningsleden, vijftien soldaten, dertien zieken, drie handwerkslieden en twee passagiers aan boord. Op 11 maart 1724 bereikte het Huijs de Vlotter Kaap de Goede Hoop.

De tafelberg nabij Kaap de Goede Hoop, eeen verversingsstation van de VOC. Hier zou Cornelis Valentijn zijn gekocht om de blinde timmerman Jan Gietermaker op zijn thuisreis van dienst te zijn.
De tafelberg nabij Kaap de Goede Hoop, eeen verversingsstation van de VOC. Hier zou Cornelis Valentijn zijn gekocht om de blinde timmerman Jan Gietermaker op zijn thuisreis van dienst te zijn.
In 1652 werd Kaap de Goede Hoop gesticht door Jan van Riebeeck als permanente hulppost voor de VOC-schepen op weg naar en van de Oost. Na een maandenlange reis waarin men niets anders dan ingezouten vlees had gegeten, leden de bemanningsleden dikwijls aan scheurbuik door het gebrek aan vitamine C. Groenten en fruit, zoals sla en waterkers, werden geteeld in de Compagniestuinen. Het verse drinkwater was afkomstig van de nabijgelegen Tafelberg.

Er leefden tot dan toe verschillende bevolkingsgroepen op de Kaap, zoals de San of Bosjesmannen en de Khoikoi, die door de blanken ook wel Hottentotten werden genoemd. Hun taal werd hortend en stotend en met klikgeluiden uitgesproken. Zij leefden van de veeteelt. De blanke vrijburgers uit de Republiek, die voornamelijk afkomstig waren uit compagniesdienst, vestigden zich er als boeren en hun aantal nam gestaag toe. De beste grond en waterbronnen werden de Khoikoi door de vrijburgers afhandig gemaakt. Ook kochten zij de veestapel op, zodat zij de schepen van vers vlees konden voorzien. Er restte de Khoikoi niets anders dan bij de blanken in dienst te treden.

Hun positie vertoonde veel gelijkenis met die van de slaven die door de dienaren van de compagnie op de terugreis uit de Oost van de eilanden in de Indische archipel waren aangevoerd, maar ook van Madagaskar, Mauritius, Angola of Mozambique. Met deze slavenhandel waren de compagniesdienaren verzekerd van een aardige bijverdienste. De slavenverblijven waren dichtbij het Kasteel gelegen. Tevens werd er een hospitaal ingericht om de zieken en gewonden te kunnen verzorgen. De slaven werkten als bediende of landarbeider. Vooral de slaven die uit Oost-Indië afkomstig waren, werden voor allerlei huishoudelijke taken ingezet. Zij werden te werk gesteld in de Kaapkolonie onder andere in de Compagniestuinen waar groenten en fruit werden geteeld.

Rond 1724 was de nederzetting van Kaap de Goede Hoop nog een betrekkelijk kleine gemeenschap van circa tweeduizend blanken met evenveel slaven. Dat aantal nam nadien gestaag toe. Ook vermengden de slaven zich met de blanke bevolking, die voornamelijk uit het mannelijk geslacht bestond. Er ontstond daardoor een bevolkingsgroep van halfbloeden, die Kaap-Maleiers werd genoemd. Het Kasteel de Goede Hoop werd de residentie van de gouverneur en hier werden zaken van allerlei aard afgehandeld.

Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube