Bent u op zoek naar specifieke informatie?
Gebruik dan het onderstaande zoekveld.
|
|
Doornik, Gerrit Jan vanGerrit Jan van Doornik geboren te
Enkhuizen op 28 november 1892, overleden te Amsterdam 18 oktober
1959, was een getalenteerde duizendpoot, sprak vijf talen vloeiend,
schilderde, beeldhouwde, dichtte, musiceerde en bouwde zijn
instrumenten vol passie.
Na zijn H.B.S-diploma te hebben behaald, studeert hij op 24-jarige
leeftijd cum laude af aan het Conservatorium te Amsterdam op viool,
met piano als tweede instrument. In aansluiting daarop is hij tot
zijn 27e concertmeester van het Concertgebouworkest. Zijn
fascinatie voor het instrument doet hem besluiten naar het centrum
van vioolbouw in Mittenwald te gaan. Na drie jaar rondt hij daar
zijn studie af door het bouwen van een meester-instrument naar het
model van Amati. Een drietal jaren reist hij dan door Europa
met de zigeunerfamilie Weiss, beter bekend onder de naam Mirando.
Hij speelt in hun orkest viool, piano en cimbaal. Op 33-jarige
leeftijd huwt hij. Uit dit huwelijk wordt één zoon, Roei, geboren.
Een jaar later is hij gescheiden en gaat hij verder met mijn
moeder, Johanna Fokkema (Duitse). Uit dit huwelijk zijn vier
jongens geboren: Robert (1939), Hans (1944), Willem (1948) en Dolf
(1949). Omstreeks 1927 gaat Ge van Doornik met echtgenote geduren
de een jaar of vijf in Parijs wonen. Hij voorziet in zijn onderhoud
door lesgeven, optreden en violen bouwen/restaureren. Als de economische crisis verkeert in een langdurige malaise keert Ge terug naar Amsterdam. Daar treft hij zijn muziek-vriend dhr. Oscar Carré, kleinzoon van circusdirecteur Carré. Oscar Carré is directeur Sociale Zaken en daardoor in staat Ge aan te stellen als hoofd sociale dienst. Deze functie verschaft hem de goede maatschappelijke basis waardoor hij in staat is zijn kunst te blijven beoefenen. Gedreven natuur als hij is, ontwikkelt hij een breed scala van activiteiten: bouwen/restaureren, optreden, lesgeven, beeldhouwen. Momenten van bezinning vindt hij door het schrijven van gedichten. Zijn werkzaamheden bij de Gemeente Amsterdam moet hij om gezondheidsredenen in 1946/47 beëindigen. Gedurende de jaren 1940/45 komt zijn toch al turbulente leven nog meer onder spanning te staan als hij bij het verzet betrokken raakt. Als hoofd distributiebonkaarten kan hij veel doen voor de vervolgden. Hij bekleedt een hoge functie bij de Ondergrondse. Dat hij vele vrienden en kameraden in het verzet kwijtraakt, grijpt hem sterk aan. Voor zover mogelijk schrijft hij dit enigermate van zich afin zijn gedichten. Zelf ontkomt hij aan de greep van de bezetter door onder diverse schuilnamen te werken. Na 1945, in de jaren '46 tot en met '48 maakt hij deel uit van het Tribunaal. Zijn gezondheid gaat vooral in die periode sterk achteruit. Met de regelmaat van de klok moet hij worden opgenomen in rustoorden voor oud-verzetsmensen. Ook zijn creativiteit staat op een laag pitje. In 1949 is de financiële nood bij de Van Doorniks beëindigd door toekenning van een ruim verzetspensioen. In dat jaar zendt Gerrit Jan al zijn koninklijke onderscheidingen retour aan de Koningin. Hij kan zich niet vinden in de houding van de Nederlandse regering ten opzichte van Indonesië. Langzamerhand hervindt Gerrit Jan zich weer in zijn kunst. De jaren vijftig brengen veel roering in huize Van Doornik. Ons huis wordt een oord waar mensen als John Raedecker, Willink, Ed Hoornik, Bert Haanstra en Willem Drees Sr graag vertoeven. De Mirando's zijn kind aan huis: mee-etend, musicerend en soms logerend. De nieuwe generatie kunstenaars weet ook de weg naar ons huis te vinden. Karel Appel en Cofneille zijn vaak te gast. Door de ruime financiële situatie kan Ge veel schenkingen doen aan het conservatorium in de vorm van instrumenten voor talentvolle jonge toonkunstenaars. Ook leidt hij zelf mensen op tot aan de tweede klas conservatorium. Omstreeks zijn 63e jaar begint Ge van Doornik snel zijn gezondheid te verliezen. Hij wordt onder andere geestelijk gekweld door wat hij in de jaren '40-'45 heeft doorgemaakt.
|
|